De kunst door de eeuwen heen

Stroming Periode  
Venus van Willendorf 24000 j.v.Chr. De Venus van Willendorf is een beeldje dat in 1908 door de archeoloog Josef Szombathy op een laat-paleolithische vindplaats bij Willendorf in der Wachau (Oostenrijk) is gevonden. Dit dorpje ligt op de linker Donau-oever en behoort tot de gemeente Aggsbach.
Egyptisch 3000 j.v.Chr. Kunst in dienst van goden en doden. Tempelbeelden (koningsbeelden, sfinxen in natuursteen) en grafsculpturen. Minoische beschaving: figuurtjes in faience, brons en ivoor (slangengodinnen, stier, dubbele offerbijl). Myceense beschaving: ivoor en gebakken aarde.
Grieks 600 j.v.Chr. De geidealiseerde mens. Aanvankelijk strak, symmetrisch en bewegingloos. Nadien naast de naakte athleet ook de geklede gestalte, ook in brons gegoten. Hellenisme: idealisme evolueert naar naturalisme. Reliefbeeldhouwkunst: voorstellingen van processies, gevechtstaferelen en godenbijeenkomsten in fries.
Grieks 130 j.v.Chr. De Venus van Milo of Aphrodite van Melos is een wereldberoemd Grieks marmeren beeldhouwwerk. Het beeld werd vermoedelijk vervaardigd rond 130 v.Chr. en men denkt dat Alexandros van Antiochia de beeldhouwer was. De beeldhouwer gebruikte het in de oudheid beroemde witte marmer van Paros. Het beeld werd in 1820 door een boer in een veld gevonden op het Egeïsche eiland Melos (Italiaans: Milo) in de Cycladen.
Romeins 40 j.v.Chr.
400j.n.Chr.
Het realistische portret en het historisch relief. Portretbeeld in functie tot de gemeenschap, d.w.z. met machtssymbolen, uniform, toga. Vaak in een nis geaccentueerd Historisch relief op triomfbogen, gedenkzuilen, monumenten of sarcofagen: historische en/of politieke werkelijkheid.
Byzantijns 600 - 800 Aansluiting op het laat-hellenisme. De mozaieken vervangen de tweedimensionale beeldhouwkunst.
Karolingisch 750-960 Romeinse en Byzantijnse voorbeelden worden aan de Germaanse ambachtelijkheid verbonden, waarbij men aldus de Karolingische Renaissance beleeft: religieuze voorstellingen in edelsmeedwerk, ivoorsnijwerk en bronsgietwerk.
Ottoons 700 -1000 Bij de Ottoonse Renaissance, onder Otto de Grote, worden aan de Karolingische bouwwijze Byzantijnse arcaden en kapitelen toegevoegd.
Romaans 800-1200 Rondbogenstijl ontwikkeld uit de Romeinse bouwwijze.
Gotisch 1240-1400 Spitsbogenstijll, genoemd naar Giorgio Vasari die alle niet-Romeinse kunst "barbaars" of "van de Goten" noemde. Vlamgotiek: laatgotiek met overdadige versiering.
Renaissance 1400-1600 Onder impuls van het Humanisme, teruggrijpen naar de klassieke elementen van de Grieks-Romeinse kunst.
Manierisme 1520-1590 Toevoegen in de laat-renaissance van overdreven emotionele elementen aan de ratio van de voorafgaande hoog-renaissance, sedert 1520. Dit leidt tot verhoogd sensualisme.
Barok 1600-1775 Kunstuiting van de katholieke Contrareformatie, met verheerlijking van het koninklijke absolutisme. Aanbrengen van overdadige versieringen, in beelden vol beweging, in breedsprakerige gebaren, in houding (schroefhoudingen) en drapering.
Classicisme 1775 -1840 Afwijzen van Barok- en Rococco-elementen en teruggrijpen naar "rust" en "stilte" als essentie van het "schone".
Romantiek 1825-1870 Rede en klaarheid (Classicisme moeten plaats maken voor emotionele waarden (Jean-Jacques Rousseau). In Frankrijk: hartstochtelijke heldenverering en bijna revolutionaire vrijheidsdrang.
Sociaal Realisme 1860-1900 Accentueren van sociale elementen in houdingen en gebaren.
Impressionisme 1885-1920 Poging momentindruk in beeld te brengen door oa. lijnen technisch te verdoezelen.
Expressionisme 1910-1940 Uitdrukken van individuele emotie door accentueren van houdingen.
Kubisme 1920-1940 De dingen in de natuur zijn volgens geometrische vormen opgebouwd.
Abstracte kunst 1920 Vlakken en lijnen zwakken de directe figuratie af en trachten het abstracte begrip te suggereren.
Kinetische kunst 1930 Beeld of beeldgedeelten worden in beweging gehouden door externe factoren.
Surrealisme 1930 Samenbrengen van elementen uit de puur realistische figuratie tot een imaginair irreeel gegeven.
Pop-Art 1960 Popular Art. De trivialiteit van de consumptiemaatschappij wordt geaccentueerd
Hyperrealisme 1960 Realisme weergegeven met fotografische nauwkeurigheid, veelal in polyester-materie.
Nouveau Realisme 1960 Afwijzing van het conformisme bij de abstracte kunst. Poging zich te integreren in de technologische realiteit van de hedendaagse wereld.
Assemblage kunst 1970 Samenbrengen van niet bij mekaar horende, vaak afgedankte gebruiksvoorwerpen, of gedeelten ervan, tot nieuw origineel beeld.
Performance 1990 Zich bekommerend om de ruimte en zich bezinnend over de menselijke conditie.